EHRM 21-02-1984, Series A, no. 73 Öztürk

Casus

De verkeersvoorschriften konden worden bestraft met een geldboete.

Essentie

Het begrip strafvervolging in art. 6 EVRM heeft een autonome betekenis. De vraag of er sprake is van een strafvervolging wordt beantwoord door toetsing aan drie criteria: de nationale classificatie van de overtreden norm, de aard van de overtreding en de aard en de zwaarte van de sanctie. Het eerste criterium is het startpunt en hieraan moet altijd worden voldaan. Toetsing aan het tweede criterium kan op zichzelf al tot de conclusie leiden dat art. 6 van toepassing is. Dit is het geval indien de norm zich richt tot een ieder én de sanctie die op de normovertreding staat tot doel heeft af te schrikken en te straffen. Ook toetsing aan het derde criterium kan tot de conclusie leiden dat art. 6 van toepassing is, aangezien het tweede en derde criterium alternatief zijn.



art. 6 EVRM heeft een autonome betekenis. Bij de vaststelling of een bepaalde handhavingssanctie een criminal charge is wordt gelet op:

- in beginsel op de nationale classificatie van de overtreden norm;

- maar ook wordt gekeken naar de aard van de overtreding én

- naar de aard en zwaarte van de sanctie.



Noot:
In de benadering van het Hof ligt besloten dat het begrip strafvervolging een autonome interpretatie krijgt. Nu ook het begrip burgerlijke rechten en verplichtingen autonoom geïnterpreteerd worden (zie Benthem), betekent dit dat de staten de toepasselijkheid van art. 6 op nationale procedures niet kunnen uitsluiten door die procedures van een ander, bijvoorbeeld bestuursrechtelijk etiket te voorzien.



Uit de zaak Golder bleek dat een burger het recht heeft zijn burgerrechtelijk geschil in de zin van art. 6 aan een rechter voor te leggen. Uit (ondermeer) dit arrest blijkt dat deze regel ook opgeld doet in strafprocedures.

 

Laat een reactie achter