HR 27-11-1992, NJ 1993, 287 Felix/Aruba

Casus

Artikel 3:61 lid 2 BW

Felix en Maduro opperen samen het idee om op het vliegveld van Aruba de afhandeling van kleine vliegtuigjes ter hand te nemen.

Zij nemen hiertoe van de plaatselijke Aeroclub de huur over van een vliegveldgebouw en vragen aan de luchthavenmeester toestemming om de huur over te nemen van de noodlijdende Aeroclub. Zij krijgen deze toestemming stilzwijgend en Felix, inmiddels zonder compagnon, start met verbouwen om in de eerste fase van zijn plan de inklaring van kleine vliegtuigjes te kunnen beginnen, door onder andere een taxfree winkel, een bar en een restaurant te gaan exploiteren in het (oude) stationsgebouw van de luchthaven.

Dan gooit de minister van verkeer roet in het eten door te stellen dat de afhandeling van luchtvaartuigen slechts mag geschieden door Air Aruba N.V.

Felix eist van Aruba een vergoeding van de schade geleden als gevolg van het ministerieel besluit waardoor het voor hem onmogelijk wordt zijn bedrijf nog langer uit te voeren. Aruba stelt hier tegen dat er van de kant van de overheid nimmer een toezegging is gedaan.

Rechtbank kent de vordering onverkort toe aan Felix. Het Hof echter beperkt de toewijzing tot het door Felix ten gevolge van het ministriele besluit geleden verlies.

Rechtsvraag

Wanneer bestaat er gebondenheid voor een overheid (grote organisaties) door een toezegging van een pseudovertegenwoordiger?

Essentie

Art. 3 Beheersverordening Luchthavendienst biedt geen steun voor de opvatting dat de luchthavenmeester bevoegd was Aruba ter zake van de uitoefening door Felix van diens bedrijf te binden. De omstandigheid dat de luchthavenmeester zelf meende bevoegd te zijn Aruba te binden doet daaraan niet af. Het Hof is ten onrechte voorbijgegaan aan het wezenlijk betoog van Felix dat hij gezien de omstandigheden van het geval erop mocht vertrouwen dat de luchthavenmeester die bevoegdheid wel had, en dat het afbreken door Aruba van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden in strijd was met de door Aruba jegens Felix in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij de beoordeling van dit betoog is mede van betekenis dat in geval van onderhandelingen tussen een overheidsfunctionaris en een derde die in de onjuiste veronderstelling verkeert dat deze functionaris ten aanzien van de desbetreffende materie bevoegd is de overheid te binden, zich omstandigheden kunnen voordoen, waaronder die onjuiste veronderstelling voor rekening van de overheid dient te komen (zie r.o. 3.3, laatste alinea van het arrest). Criteria hiervoor kunnen zijn; positie van de onderhandelende functionaris binnen de organisatie, onduidelijkheid van verschillende regelingen voor buitenstaanders, nalatigheid van de overheid bij het attent maken van een derde op het feit dat een functionaris onbevoegd is. Hiermee rekening houdend dient het hof de zaak opnieuw te bezien.

Noot van Van Schilfgaarde:
De handeling van een functionaris van een rechtspersoon levert bij een zuivere toepassing van het toedoensbeginsel een gebondenheid op van de rechtspersoon als de functionaris een bepaalde schijn van handelingsbevoegdheid op zich laadt. Die schijn wordt sterker naar mate de rechtspersoon diffuser wordt.

Een tweede aspect is de onderzoeksplicht van de wederpartij. De vraag in dit arrest spitst zich eigenlijk toe op de vraag of er een positief contractsbelang aanwezig is, deze vraag wordt door de Hoge Raad niet beantwoord.

 

Laat een reactie achter