HR 20-10-1998, NJ 1999, 48 Schijnhuwelijk
Casus
Het Hof Den Haag bepaalde in hoger beroep dat een verdachte tezamen en in vereniging met anderen uit winstbejag (ƒ 25.000,-) opzettelijk behulpzaam was geweest bij het illegaal verblijven in Nederland door een schijnhuwelijk aan te gaan, teneinde ene M. op grond daarvan een verblijfstatus in Nederland te verschaffen.
De raadsman voert aan dat art 197a Sr in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel. Art 1 Sr biedt de burger bescherming tegen willekeur van de overheid, hieronder valt ook vaagheid en onduidelijkheid, ook immers een advocaat die een illegaal bijstaat handelt niet (altijd) uit ideële gronden doch uit winstbejag. In feite leidt het artikel ertoe dat je altijd iemand zou moeten controleren op het bezit van geldige verblijfspapieren. Dit kan nooit de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Zo kan justitie op grond van dit artikel overgaan tot vervolging van eerzame burgers en wordt de rechtszekerheid met voeten getreden.
Rechtsvraag
Is art. 197a Sr in strijd met het legaliteitsbeginsel?
Essentie
De HR bepaalt dat het beginsel van art 1 Sr ook belichaamd is in art 7 lid 1 EVRM en 15 IVBPR. De aard en inhoud van de in art. 197a Sr vervatte strafbaarstelling maakt enerzijds een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk, terwijl anderzijds de norm voldoende concreet is om de burger in staat te stellen zijn gedrag daar op af te stemmen. Het moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat haar handelen het medeplegen van art. 197a opleverde. De toepassing van art 197a is derhalve niet in strijd met het legaliteitsbeginsel of de genoemde verdragsbepalingen.