HR 22-04-1969, VR 1969, 120 Sittardse inhaalmanoeuvre

Casus

Requirant reed op 12 september 1966 als bestuurster van een personenauto (Ford Mustanq) met grote snelheid op de linker weghelft en kwam daarmee frontaal in botsing met een tegemoetkomende personenauto (merk: Simca). Het echtpaar, zittende in deze Simca, overleed. Requirant werd uit de auto geslingerd en wist zich niets meer te herinneren met betrekking tot het ongeluk.

Aan requirant werd tenlastegelegd art. 36 Wvw, meermalen gepleegd.
Door Rechtbank en Hof werd bewezen verklaard dat: `zij op 12 september 1966 ... als bestuurster van een vierwielig motorrijtuig ... hoogst roekeloos heeft gereden over de voor haar linkerrijbaan van de Rijksweg Sittard Roermond ...`

Essentie

De HR overwoog dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen (met name uit het remsporenonderzoek) niet kan worden afgeleid dat aan requirant in cassatie omtrent de wijze van rijden een verwijt kan worden gemaakt nu in het bijzonder niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat anders handelen door requirant mogelijk zou zijn geweest, laat staan een zodanig verwijt dat gemelde wijze van rijden als hoogst roekeloos moet worden aangemerkt.
Oftewel: nu niet is gebleken van voldoende verwijtbaarheid van het gedrag aan verdachte, kan de culpa niet worden bewezen geacht. Door de HR wordt culpa in art. 36 WW (nu art 6) opgevat als verwijt. Bedenk bij dit arrest overigens wel dat de vrouw in de Fort Mustang op de linker weghelft reed terwijl er tegemoetkomend verkeer was (de Simca 1000). Het is niet onlogisch te bedenken dat er geen veroordeling volgde vanwege gebrek aan bewijs van eventueel hoogst roekeloos rijgedrag.

 

Laat een reactie achter