HR 19-06-1911, W 9203 Hoornse taart
Casus
Een te Hoorn wonende winkelier J.B. (63) loopt al een tijd met wrok rond jegens de Hoornse marktmeester W.M. en besluit op 28 september 1910 een taart te versturen naar het adres van de marktmeester, een taart die hij vanuit Haarlem verzend en waaraan hij een dodelijke dosis rattenkruid toevoegt. Nu wil het geval dat als de taart de volgende dag in Hoorn aankomt de markmeester niet thuis is maar wel diens vrouw, die –omdat zij veel in het huishouden heeft in te brengen- een stuk taart neemt. J.B. had zich in gedachten het beeld voorgesteld dat de mensen samen van de taart zouden gaan eten. De vrouw overlijdt de volgende dag aan arcenicumvergiftiging.
Aan J.B. wordt ten laste gelegd poging tot moord op de marktmeester en moord op diens vrouw. J.B. verweert zich door te stellen dat hij alleen de dood van de markmeester beoogd had en dat de dood van diens vrouw moet worden gezien als een tragisch ongeval.
Het Hof verwerpt dit beroep en stelt dat hij (J.B.) al serieus rekening gehouden heeft met de mogelijkheid dat ook mevrouw van de taart zou eten, doch niets deed dat te voorkomen.
Essentie
J.B. krijgt levenslang: De Hoge Raad verwerpt zijn beroep.
De HR overwoog dat ook al was het opzet gericht op de dood van de marktmeester, zijn plan omvatte mede het doden van die personen die van de eenmaal bezorgde taart mochten eten en wel in het bijzonder van het slachtoffer de echtgenote. De Hoge Raad aanvaardde in dit arrest opzet met mogelijkheidsbewustzijn.