HR 19-02-1985, NJ 1985, 633 Aanmerkelijke kans

Casus

L. werd op de luchthaven Schiphol aangehouden, omdat hij in het bezit was van koffers waarin 4,8 kg heroïne verborgen was in een dubbele bodem.

Bewezenverklaard werd `opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 lid 1 en onder A opiumwet gegeven verbod', zowel door Rechtbank als Hof. Het verweer van L. luidde, dat er geen sprake kon zijn van opzettelijke invoer.

Essentie

De HR heeft in dit arrest via de eis van een onderzoeksplicht (schuldverwijt) bij de verdachte alsnog het (voorwaardelijk) opzet geconstrueerd.

Hoe heeft de HR geredeneerd? De Rechtbank en het Hof hadden feitelijk vastgesteld het onaannemelijk te achten dat het de verdachte L. niet zou zijn opgevallen, dat de deksels en bodems van de koffers opvallend dik waren en zij zwaarder waren dan van dergelijke koffers verwacht mag worden. De HR is immers geen feitenrechter. De HR stelde dat de verdachte onder deze omstandigheden de inhoud van de koffers had behoren te onderzoeken. Nu hij dit heeft nagelaten, heeft hij `zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans' dat in beide koffers verdovende middelen verborgen waren, omdat het: algemeen bekend is dat veelal in deksels en bodems van koffers verdovende middelen worden vervoerd.

 

Laat een reactie achter