Hof 02-12-1987, Vrijspraak Piet Slavenburg
Casus
De verdachte Piet S. wordt gedagvaard ter zake van een groot aantal gevallen van valsheid in geschrifte gepleegd door een rechtspersoon in casu een bank, waarvan hij voorzitter van de Raad van Bestuur was (zie art 51 jo 225 Sr).
In het arrest Slavenburg II (HR 16-12-1986 NJ 1987, 321) besliste de HR dat van feitelijk leidinggeven in de zin van art. 51 lid 2 Sr onder omstandigheden sprake kan zijn indien: 'de betreffende functionaris -hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijze gehouden- maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen.'
In deze situatie wordt de functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen. Een dergelijke bewuste aanvaarding van de bedoelde aanmerkelijke kans kan zich voordoen indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van de strafbare feiten door de bank, rechtstreeks verband hield met de in de t.l.l. omschreven verboden gedragingen.
Essentie
Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon. Er kan van feitelijk leidinggeven pas sprake zijn vanaf het moment waarop bedoelde bekendheid bij de betreffende functionaris aanwezig was. De bedoelde bekendheid aanwezig bij één van de leden van het bestuur geldt niet als wetenschap van het collectivum.
Van de verdachte hoefde niet te worden verlangd dat hij er op zou toezien dat de geconstateerde onregelmatigheden, bestaande uit de zwarte dekking van kredieten, daadwerkelijk en adequaat werden bestreden. Het Hof kent n.l. een doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat er binnen de Raad van Bestuur een taakverdeling bestond, waardoor de verdachte er op mocht vertrouwen dat het verantwoordelijke bestuurslid de genomen besluiten zou uitvoeren. Hij hoefde er niet op toe te zien of dit bestuurslid zijn taak adequaat volvoerde en de geconstateerde onregelmatigheden inderdaad doeltreffend waren aangepakt. Het is niet gebleken dat de verdachte signalen hebben bereikt dat de onregelmatigheden voortduurden.
Het gaat te ver verdachte het opzettelijk bevorderen van de onregelmatigheden toe te rekenen alleen o.g.v. het feit dat hij voorzitter was van de Raad van Bestuur van de bank op welker organisatie door de Nederlandse Bank geen aanmerkingen zijn gemaakt.
Hieruit volgt dat niet bewezen is dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven in -de zin van art 51 Sr- aan eventuele verboden gedragingen van de bank.
Vrijspraak.