HR 05-12-2006, NJ 2006, 663 Spookrijder
Casus
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
"op 25 juli 2004 te Horst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk personen van het leven te beroven, tegen het verkeer in (zogenaamd spookrijdend) - gaand in de richting Venray - met een snelheid van ongeveer 100 km per uur heeft gereden over de vluchtstrook van de autosnelweg A73 en vervolgens met dat opzet meermalen op het moment dat bestuurders van motorrijtuigen hem, verdachte, komende uit de richting Venray, gezien zijn, verdachtes, rijrichting over de linkerrijbaan van die A73 tegemoet kwamen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig naar die linkerrijbaan heeft gestuurd en die linkerrijbaan tegen het verkeer in (zogenaamd spookrijdend) is blijven volgen, waardoor telkens voornoemde bestuurders van motorrijtuigen moesten uitwijken om een botsing of aanrijding met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
De verdachte verklaarde bij zijn daaropvolgende aanhouding dat hij 'het kicken vond om met zijn auto tegen het verkeer in te rijden'.
Rechtsvraag
De vraag die beantwoord moet worden is of deze wijze van rijden een aanmerkelijke kans op het overlijden van de tegenliggers in het leven heeft geroepen, maar vooral of verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen.
Essentie
De Hoge Raad:
"3.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552).
Ook zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer kunnen onder omstandigheden (poging tot) doodslag opleveren, met dien verstande dat in een geval waarin de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, de rechter in zijn oordeel dient te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199)."
"3.5. Het oordeel van het Hof dat de verdachte aldus en onder die omstandigheden handelend zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zich in de hem tegemoetkomende auto's bevindende personen door zijn toedoen zouden verongelukken en dat derhalve het opzet van de verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van die personen was gericht, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld. Het is evenmin onbegrijpelijk."