HR 01-02-1972, NJ 1974, 450 Meer en Vaart

Casus

De Hoge Raad kreeg een verkeersovertreding te berechten die had plaatsgevonden op een weg in Amsterdam, de Meer en Vaart, waaraan de in gang gezette jurisprudentie haar naam ontleent.

Essentie

De Hoge Raad casseerde omdat de bewezenverklaring niet met voldoende redenen was omkleed. De feitenrechter had namelijk een 'niet met de inhoud van de bewijsmiddelen strijdig verweer in het midden gelaten, zodat een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is opengebleven'.

Uit het laatste deel van de formulering valt op te maken dat het bewijsverweer, dat verdachte had gevoerd, potentieel bevrijdend was. Er is volgens het Wetboek van Strafvordering geen verplichting voor de rechter om kenbaar te maken waarom hij een bewijsverweer verwerpt. De jurisprudentie is hier echter onderscheid gaan maken tussen twee soorten bewijsverweren. De rechter hoeft niet uit te leggen waarom een feitenontkennend verweer niet slaagt. Voor sommige in het kader van de bewijsvraag gevoerde verweren is de Hoge Raad op grond van art. 359 lid 2 Sv nadere redengeving gaan eisen van de feitenrechter, wanneer hij deze verweren passeert. Het gaat hierbij om het Meer en Vaart-verweer, het Dakdekker-verweer, het verweer aangaande de onrechtmatige verkrijging van bewijsmateriaal, het verweer tegen het gebruik van anonieme getuigenverklaringen en de betrouwbaarheidsverweren. In casu was niet sprake van een feitenontkennend verweer, dus geen bewijsverweer van de eerste soort, maar van een Meer en Vaart-verweer.
Een Meer en Vaart situatie kan ontstaan doordat de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van het gevoerde, niet met die inhoud strijdige verweer, mmeer mogelijkheden openlaat dan de bewezenverklaarde. De inhoud van de bewijsmiddelen blijkt na het verweer niet zonder meer dwingend genoeg voor de conclusie dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

 

Laat een reactie achter