HR 20-02-1933, NJ 1933, 918 Huizense veearts
Casus
Een veearts bracht tijdens een epidemie van mond- en klauwzeer opzettelijk een aantal gezonde koeien in contact met zieke koeien. Daarmee pleegde hij een strafbaar feit uit de Veewet. Tijdens de rechtszitting legde hij uit dat hij dit had gedaan om de gezonde koeien een lichte graad van besmetting op te laten lopen zodat zij antistoffen zouden ontwikkelen tegen een eventuele zwaardere besmetting. De veearts deed een beroep op een ongeschreven (niet-wettelijk geregelde) rechtvaardigingsgrond: het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.
Rechtsvraag
Heeft de veearts wederrechtelijk gehandeld door in strijd met een wettelijke bepaling te handelen terwijl hij met dat handelen het doel dat de wettelijke bepaling voor ogen heeft beter is gediend?
Essentie
De Hoge Raad oordeelde dat de arts gehandeld had overeenkomstig de eisen van zijn beroep (Nederlandse Jurisprudentie 1933: 60-63).
In het tweede arrest in deze zaak voegt de Hoge Raad daar aan toe:
Het geval kan zich voordoen dat de wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving zelve geen uitdrukking heeft gevonden en niettemin geen veroordeling zal kunnen volgen op grond dat de onrechtmatigheid des gepleegde handeling in het gegeven geval blijkt te ontbreken en derhalve dat het betrokken wetsartikel op de letterlijk onder de delictsomschrijving vallende handeling niet van toepassing is.
De Hoge Raad besloot tot het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Dit wil zeggen dat de daad formeel in strijd is met de letter van de wet, maar dat de strafbaarheid ontbreekt omdat de daad feitelijk niet in strijd is met het (door de wet beschermde) recht. Dit is overigens het enige arrest waarin zulk een ontbreken door de Hoge Raad is aangenomen.