HR 06-03-1959, NJ 1962, 2 Nyugat
Casus
Het schip Nyugat voer onder een vlag welke door de Kroon na de prijsmaking als niet-vijandelijke vlag is aangemerkt. Het art. 15 van het Prijsreglement was op dat moment echter nog niet van kracht. Toch moet de prijsmaking als rechtmatig worden beschouwd aangezien de prijsmaking heeft plaatsgehad nadat de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Hongarije waren verbroken. De Rederij meende dat de HR de bepaling aan ongeschreven volkenrecht mocht toetsen aangezien het art. 66 (thans 94) een geoorloofde wijdere strekking zou geven (evenals toetsen aan niet-rechtsreeks werkende regelingen).
Essentie
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in art. 66 (art. 94 Gw) is bedoeld om de strijd te beslechten in hoeverre de Nederlandse rechter het Nederlandse recht op strijd met het internationale recht mag toetsen. Deze toetsing is uitdrukkelijk beperkt tot de gevallen van de zelfwerkende bepalingen van overeenkomsten.
Ondanks dat deze bepaling pas tot stand is gekomen na de feiten van het proces en zelfs na ’s Hogen Raads bestreden arrest, vanaf het ogenblik van de inwerkingtreding de rechter hieraan is gebonden.
Noot:
Het maakt geen verschil of de besluiten rang van wet hebben (de besluiten B58 en C1) of lager (B59).
Uit het harmonisatiewet arrest kan worden afgeleid dat t.a.v. toetsing van de formele wet aan volkenrechtelijke beginselen hetzelfde geldt bij het huidige art. 94 Gw. In hoeverre dit opgaat ten aanzien van lagere regelgeving is minder duidelijk. In het Landbouwvliegers-arrest werd toetsing van lagere regelgeving aan ongeschreven rechtsbeginselen toelaatbaar geacht, wat kan impliceren dat toetsing van lagere wetgeving aan ongeschreven volkenrecht – in strijd met Nyugat – tegenwoordig wel mogelijk moet worden geacht.