HR 17-01-2003, NJ 2004, 281 Oryx/Van Eesteren

Casus

Tot zekerheid voor de terugbetaling van een geldlening heeft Elands aan Oryx een pandrecht verschaft op alle dan bestaande en nog te verkrijgen vorderingen van Elands. EVN heeft een opdracht aan Elands gegund, welke in eeen schriftelijke overeenkomst is vastgelegd. In deze overeenkomst is een bepaling opgenomen volgens welke het Elands verboden is om uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingen te cederen, verpanden of in eigendom over te dragen. Ten behoeve van Oryx heeft Elands een op die opdracht betrekking hebbende vordering op EVN op pandlijsten opgenomen en deze ter registratie aangeboden. Oryx vordert - met een beroep op haar pandrecht op de vordering van Elands op EVN - voldoening van die vordering.

Rechtsvraag

In cassatie gaat het om de vraag of het in weerwil van het verbod gevestigde pandrecht geldig is: met andere woorden of het verbod van verpanding goederenrechtelijke werking heeft.

Essentie

Een tussen partijen op de voet van art. 3:83 lid 2 BW overeengekomen verpandingsverbod (verbod tot overdracht) leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van de gerechtigde tot de vordering doch tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf en staat derhalve in de weg aan de geldigheid van de verpanding (overdracht) van de vordering. Of degene aan wie de vordering is verpand (overgedragen) op de hoogte was van het (verpandings)verbod doet niet ter zake. Een beroep op art. 3:88 juncto art. 3:229 lid 4 BW faalt omdat hier geen sprake is van onbevoegdheid die voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht; een beroep op art. 3:36 BW faalt omdat niet is afgegaan op een gedraging of verklaring van de debiteur van de vordering.

 

Laat een reactie achter