HR 14-02-1992, NJ 1993, 623 Hinck/Van der Werff & Visser
Casus
Van der Werff & Visser heeft een casco gebouwd van een schip waaraan later de naam 'Love Love' is gegeven. Zij heeft dit casco onder eigendomsvoorbehoud verkocht aan Classic Yacht. Classic Yacht heeft het casco naar een andere plaats laten brengen om het daar vervolgens af te laten bouwen. Hiermee heeft Classic Yacht de feitelijke macht over het casco verkregen.
Classic Yacht heeft vervolgens het schip verkocht en afgegeven aan Hinck.
Hinck blijft achter met betalen aan Classic Yacht en Classic Yacht blijft (daardoor) achter met betalen aan Van der Werff & Visser.
Rechtsvraag
Inzet van het geding is de vraag of Van der Werff & Visser ook thans nog eigenaar is van het schip.
Essentie
De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord op grond van haar oordeel dat 'het casco niet meer als zelfstandige zaak bestaat, maar is opgegaan in het afgebouwde schip, dat mede uit dat casco als nieuwe zaak is gevormd.'
Het Hof heeft de tegen dat oordeel aangevoerde grief gegrond bevonden en voorts geoordeeld, kort weergegeven, dat art. 2014 BW (oud) niet toepasselijk is, dat Hinck niet van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen en dat Van der Werff & Visser eigenares van het schip is gebleven.
Middel II bestrijdt 's Hofs oordeel dat Hinck het schip niet van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen. Het middel betoogt vooreerst dat een eigendomsvoorbehoud als hier aan de orde is, niet kan worden ingeroepen tegen een derde verkrijger die het 'voor doorlevering bestemd' schip heeft gekocht van een bedrijfsmatig optredende (tussen-)handelaar als Classic Yacht.
Hoge Raad:
"Dat betoog kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Het miskent dat het antwoord op de vraag of en in hoeverre een aan een eigendomsvoorbehoud gebonden partij bevoegd is het voorwerp van dit voorbehoud in eigendom over te dragen aan derden, in beginsel moet worden gevonden door uitlegging van de overeenkomst waarbij het eigendomsvoorbehoud is gemaakt, en dat de enkele omstandigheid dat het voorwerp voor doorlevering was bestemd niet tot zulk een bevoegdheid leidt."
Middel III is gericht tegen 's Hofs oordeel dat het afgebouwde schip niet kan worden beschouwd als een mede uit het casco gevormde nieuwe zaak waarin het casco is opgegaan, dat het casco reeds als schip dient te worden beschouwd en dat het schip behalve de bastanddelen ook de op- en /of aanbouw omvat.
Hoge Raad:
"Het middel faalt. Uit het wettelijk stelsel met betrekking tot schepen, in het bijzonder uit de art. 309 (oud), 312 (oud) en 318k (oud) BW, volgt dat het casco van een schip, als schip in aanbouw, reeds moet worden aangemerkt als een schip en dat de identiteit van dit schip niet verandert doordat het wordt afgebouwd en wordt voorzien van voortbewegingswerktuigen en navigatie-apparatuur."