HR 30-01-1987, NJ 1987, 530 WUH/Emmerig q.q.
Essentie
De Hoge Raad had in dit arrest met het oog op de toepassing van art. 23 Fw de vraag te beantwoorden of na faillissement te verschijnen huurtermijnen als toekomstig moeten worden beschouwd. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag bevestigend. Hun ontstaan is:
'afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere, gebeurtenissen waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot, onderscheidenlijk het na de faillietverklaring nog resterende deel van het huurgenot, waarvoor de betreffende termijn de tegenprestatie vormt.'
Naast huurtermijnen vallen hieronder ook vorderingen uit een pacht-, arbeids- en agentuurovereenkomst. Het ontstaan van die vorderingen is immers afhankelijk van het daadwerkelijk verrichten van de tegenprestatie. Men kan ook denken aan vorderingen uit een koopovereenkomstdie strekt tot deelleveranties waarbij is afgesproken dat die deelleveranties telkens afzonderlijk worden gedeclareerd.