HvJ EG 15-06-1964, 6/64 Costa/ENEL
Casus
Het hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen oordeelt over de nationalisatie van de Italiaanse elektriciteitsproductie en -voorziening.
De nationale rechter heeft in eerste aanleg de vordering van appellant toegewezen en bepaald dat de nieuwe wetten het Verdrag schenden en uitspraak hieromtrent van het Hof van Justitie van de EEG gevraagd. Appellant vraagt om uitleg van het verdrag, gedaagde betoogt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk is en de voorgelegde vragen ongegrond. Appellant is van mening dat art. 102 beoogt dat een Lid-Staat de Commissie niet slechts kan maar moet raadplegen en dat iedere andere interpretatie dit artikel van elke betekenis zou beroven. Het Hof overweegt of het instellen van een monopolie strijdig is met het vrije verkeer van goederen aan de hand van een aantal Verdragsartikelen.
Essentie
Het Hof stelt vast dat nationale rechters in hoogste instantie gehouden zijn uitleg over strijdigheid van een wet met het Verdrag te vragen aan het Hof. Voorts overweegt het Hof dat indien de uitspraak van de nationale rechter onduidelijk is geformuleerd, het Hof alleen die vragen kan behandelen die uitleg van het Verdrag betreffen, en derhalve in dit geval geen uitspraak kan doen over overeenstemming van de wet met het Verdrag. Voorts bepaalt het Hof dat het EEG-Verdrag afwijkt van andere verdragen in die zin, dat het een zelfstandige rechtorde creëert met eigen organen ter handhaving, en dat Lid-Staten die ordening niet op een later tijdstip eenzijdig naast zich neer kunnen leggen. Art. 189 EEG-Verdrag bepaalt dat de Verdragsbepalingen verbindend zijn, deze bepaling zou van iedere betekenis zijn ontbloot indien een Staat de gevolgen ervan eenzijdig teniet kan doen door uitvaardigen van een wettelijk voorschrift. Hieruit volgt dat het verdragsrecht niet door enig nationaal recht opzij kan worden gezet zonder dat de rechtsgrond van de Gemeenschap wordt aangetast, dat Lid-Staten een deel van hun soevereiniteit hebben afgestaan en dat latere eenzijdig afgekondigde wettelijke voorschriften welke strijdig zijn met het Verdrag iedere werking ontberen.
Verder overweegt het Hof dat de Lid-Staten hebben ingestemd met consultatie van de Commissie vooraf (waaraan overigens burgers geen recht tot toetsing door de rechter kunnen ontlenen) en af te zien van invoering van nieuwe oneigenlijke steunmaatregelen die leiden tot beperking van het recht op vrije vestiging. Het verbod op nieuwe beperkende regelingen is onvoorwaardelijk in de gehele Gemeenschap geaccepteerd en leidt tot dwingend nationaal recht. Voorts betreft het verbod niet monopolies als zodanig alswel monopolies van commerciële aard. Krachtens het Verdrag tot oprichting van de EEG is het (primaire en secundaire) gemeenschapsrecht een rechtstreekse bron van rechten en verplichtingen voor ieder die het betreft, ongeacht of het om Lid-Staten of particulieren gaat. Bovendien is het gemeenschapsrecht van een hogere orde dan het nationale recht. Dit betekent niet dat alle verdragsbepalingen rechten en plichten voor particulieren in het leven roepen.
De nationale rechter dient met de rechtsorde van de Gemeenschap rekening te houden, latere eenzijdig afgekondigde wettelijke voorschriften die strijdig zijn met de rechtsorde van de Gemeenschap, ontberen iedere werking.
EG-recht heeft directe werking.