ABRvS 03-12-1998, AB 1999, 107 De Gier/B&W Haarlemmermeer
Casus
Het niet of niet tijdig nemen van een besluit is in art. 6:2 sub b Awb gelijkgesteld aan een besluit en dus is beroep mogelijk via art. 8:1 Awb. Hiermee heeft de wetgever een stok achter de deur gecreëerd voor het bestuursorgaan.
Wat doet de rechter in het geval men beroep instelt tegen een niet tijdig genomen besluit? De rechter zal geen (inhoudelijke) beslissing nemen op de aanvraag (= Trias Politica-gedachte), dat dient het bestuursorgaan zelf te doen.
De fictieve weigering is afkomstig uit wet Arob. De zaak werd dan beoordeeld als ware de aanvraag geweigerd en er werd gediscussieerd over de inhoud van de zaak. Met de inwerkingtreding van de Awb 1994 heeft de wetgever gepoogd deze bepalingen beter op te schrijven. Er wordt niet meer gehandeld alsof de aanvraag werd geweigerd (art. 6:2 Awb = neutraal besluitbegrip).
Ondanks deze nieuwe wetgeving behandelden de bestuursrechter in beroep de aanvraag nog steeds als een fictieve weigering.
Essentie
De Gier/Haarlemmermeer zorgt dan ook voor een omslag: De Afdeling stelde in haar uitspraak dat de bestuursrechter alleen dient te kijken of er sprake is van niet tijdig beslissen. Indien dit het geval is dan dient de bestuursrechter het bestuursorgaan een korte termijn geven om alsnog met een reëel besluit te komen. Dus een puur procedurele benadering en geen inhoudelijke beoordeling meer.
Art. 8:72 lid 5 Awb rechter mag bestuursorgaan een termijn stellen.
Art. 8:72 lid 7 Awb rechter kan aan deze termijn een dwangsom aan verbinden. De rechtbank bepaalt zelf ten gunste van wie deze dwangsom komt (staat of burger).