HR 03-03-1919, NJ 1919, 371 Grenstractaat Aken
Casus
In art. 33 van het Grenstractaat kan niet zo beperkt worden opgevat, dat daarbij alleen vrijdom van in- en uitvoerrechten aan den gemengden eigenaar, wiens eigendommen door de landgrenzen werden doorsneden, zou zijn gegeven, doch dat dit artikel overeenkomstig zijne wordingsgeschiedenis, zijn doel en strekking in dien geest is te verstaan, dat daarbij voor die gemenge eigenaren werden weggenomen de nadelen, die zij in hun bedrijf zouden kunnen lijden tengevolge van de omstandigheid dan hunne eigendommen door de landsgrens werden doorsneden en van elkaar gescheiden. Ondertekening van het Traktaat had de dubbele werking:
1. dat NL tegenover de vreemde mogendheid was gebonden en;
2. dat particulieren direct rechten aan dit verdrag konden ontlenen.
Een later ingevoerde wet week af van het bepaalde in het traktaat.
Essentie
Het bijzonder recht aan particulieren bij het Traktaat gegeven door de Wet niet is ontnomen, daar deze wet hieromtrent geen bepaling inhoudt en het bijzonder recht bij voormeld traktaat aan die grensbewoners gegeven, naast het algemeen verbod van uit- en vervoer bestaanbaar is.
Noot:
Reeds voor de Grondwetherziening van 1953 (waarin huidige art. 93 en 94 Grondwet werden opgenomen) kende NL een monistisch stelsel en de HR legt in dit arrest de basis voor verdragsconforme interpretatie: tenzij de wet daartoe dwingt, mag niet worden aangenomen dat de Nederlandse wetgever in enige wet eenzijdig en eigenmachtig zou zijn afgeweken van een verdrag.