HR 25-01-1926, NJ 1926, 246 Jamin

Casus

De Jamin beschikte niet over voldoende verwarming volgens de arbeidsinspectie. Art. 10 lid 1 Arbeidswet 1919: “bij AmvB wordt voorgeschreven, dat bepaalde soorten van arbeid (…) slechts mogen worden verricht onder de bij die AmvB gestelde voorwaarden.” Arbeidsbesluit: “Een jeugdig persoon of een vrouw mag geen arbeid verrichten in een winkel of apotheek (…) indien niet is nageleefd wat door het districtshoofd is geëist t.a.v. (de verwarming van) die winkel of apotheek.

Rechtsvraag

Hier is niet sprake van een bij AmvB gestelde voorwaarde, maar van een regeling afkomstig van een ambtenaar aan wie de algemene maatregel dit heeft overgelaten (uitvoering). De eis die in het arbeidsbesluit is gesteld steunt niet op art. 10 van de arbeidswet of een andere wetsartikel. De wetgever heeft hier kennelijk een algemeen geldende regel gewild en niet een regeling afhankelijk van de inzichten van verschillende districtshoofden. Art. 59, eerste lid en onder C, Arbeidsbesluit 1920 werd om deze redenen onverbindend verklaard.

Essentie

Art. 10 lid 1 Arbeidswet 1919 biedt geen grondslag voor de bepaling in het Arbeidsbesluit, daar de wetgever wilde dat de in art. 10 lid 1 bedoelde voorwaarden in de AmvB zelf zouden worden geregeld (dit blijkt uit de bewoordingen ‘bij’ AMvB). De in het Arbeidsbesluit aan het districtshoofd toegekende bevoegdheid is te ruim en kan niet als louter uitvoeringsbevoegdheid worden beschouwd (= ongeoorloofde subdelegatie). Van subdelegatie kan geen sprake zijn, nu de wetgever daar geen machtiging voor heeft verleend.

Vgl. Bromfietshelm-arrest.

 

Laat een reactie achter