HvJ 05-02-1963, 1963 3, 26-62 Van Gend en Loos

Casus

Vervoersonderneming Van Gend & Loos moest bij de invoer van goederen van Duitsland in Nederland douanerechten betalen die zij in strijd achtte met het voorschrift van het EEG-verdrag, dat het de lidstaten verboden is in hun onderlinge handelsbetrekkingen de douanerechten te verhogen.

In deze zaak werd het probleem aan de orde gesteld van een conflict tussen een nationale wettelijke regeling en de bepalingen van het EEG-verdrag. Een Nederlandse rechter verwees de zaak naar het Hof, dat met de leer van de rechtstreekse werking een definitieve oplossing gaf voor het probleem, zodat de rechten van de vervoersonderneming krachtens het gemeenschapsrecht door de nationale rechter rechtstreeks konden worden gewaarborgd.

Essentie

Het HvJ heeft in het arrest Van Gend & het beginsel ingevoerd van de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht in de lidstaten, waardoor de Europese burgers zich voor hun nationale rechters rechtstreeks op de communautaire regels kunnen beroepen.

Het HvJ oordeelde dat de EG ‘in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde vormt ten bate waarvan de Staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze lidstaten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn.’

Dit houdt in dat de EG zijn eigen rechtsorde vormt. Deze orde is een rechtstreekse bron van rechten en plichten voor de lidstaten en haar burgers. Door het EEG-verdrag zijn de soevereine soevereine rechten van de lidstaten begrensd.



Van Gend en Loos geeft in combinatie met het arrest Costa/ENEL (HvJ 1964, 1203, 6/64) het autonome karakter van het gemeenschapsrecht weer.

 

Laat een reactie achter