HvJ 15-07-1964, 1964 1203, 6-64 Costa/ENEL
Casus
In deze zaak had een rechter uit Italië aan het Hof van Justitie gevraagd of de Italiaanse wet aangaande nationalisatie van de elektriciteitsproductie en -distributie van ENEL verenigbaar was met een aantal bepalingen van het Verdrag van Rome. Het Hof besloot daarop dat het Europees recht voorrang heeft boven het nationaal recht van de lidstaten, omdat het Europees recht vereist dat regels in alle lidstaten op dezelfde wijze moeten worden toegepast.
Essentie
Flaminio Costa v. ENEL diende voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en leidde tot de vaststelling van de voorrang van het Europees Gemeenschapsrecht op de nationale wetgeving.
Het HvJ oordeelde dat het gemeenschapsrecht ‘uit een autonome bron voortvloeit en op grond van zijn bijzondere karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden gezet, zonder zijn gemeenschapsrechtelijk karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de Gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast.’
Hier wordt door het HvJ voorrang gegeven aan het gemeenschapsrecht boven het nationale recht van de lidstaten. Deze voorrang vloeit voort uit het gemeenschapsrecht zelf. De uitspraak kent soevereine rechten aan de EG toe en beperkt nationale soevereine rechten.
Costa/ENEL geeft in combinatie met het arrest Van Gend en Loos (HvJ 1963,3 26/62) het autonome karakter van het gemeenschapsrecht weer.